ENGELS ANTI DHRING PDF

Zij achten dit bepaald nodig om te voorkomen dat in de nog jonge en eerst onlangs definitief verenigde gelegenheid tot afsplitsing van sekten en verwarring zou worden gegeven. Zij waren beter dan ik in staat de verhoudingen in Duitsland te beoordelen. Ik was dus verplicht hen te geloven. Ook waren er mensen die reeds aanstalten maakten om deze leer in populaire vorm onder de arbeiders te verbreiden. Niettemin duurde het een jaar voordat ik, met verwaarlozing van ander werk, ertoe kon besluiten in deze zure appel te bijten. Het was namelijk een appel die men helemaal moest verorberen zodra men er eenmaal in gebeten had.

Author:Vogami Murisar
Country:Ghana
Language:English (Spanish)
Genre:Software
Published (Last):15 November 2010
Pages:391
PDF File Size:15.40 Mb
ePub File Size:16.86 Mb
ISBN:727-4-13128-717-6
Downloads:94727
Price:Free* [*Free Regsitration Required]
Uploader:Bami



Tijd en ruimte Wij komen nu tot de natuurfilosofie. Aan het Zijn wordt, alweer in overeenstemming met Hegel Encyclopedie, paragraaf 93 , oneindigheid — wat Hegel de slechte oneindigheid [39] noemt — toegeschreven en dan wordt deze oneindigheid onderzocht.

Zoals wij aan ieder getal nog een nieuwe eenheid kunnen toevoegen, zonder ooit de mogelijkheid om verder te tellen uit te putten, zo sluit zich ook bij iedere toestand van het Zijn een nieuwe toestand aan en in het onbeperkt verwekken van deze toestanden bestaat de oneindigheid. Wanneer het namelijk ook voor ons denken onverschillig is, een tegenovergestelde richting van de opeenvolging van toestanden te ontwerpen, dan is de zich achterwaarts bewegende oneindigheid toch slechts een overijld voorstellingsbeeld.

Daar zij namelijk in de werkelijkheid in omgekeerde richting doorlopen zou moeten zijn, zou zij bij elk van haar toestanden een oneindige getallenreeks achter zich hebben. Laatstgenoemde noodzakelijkheid is de ware reden, waarom geen samengesteld geheel zonder atomen gedacht kan worden.

Alle werkelijke gedeeldheid heeft steeds een eindige bepaaldheid en moet die hebben, daar anders de tegenstrijdigheid van het afgetelde oneindige aantal optreedt. Om dezelfde reden moet niet alleen het tot dusver bestaand aantal wentelingen van de aarde om de zon een bepaald, hoewel niet uitdrukbaar aantal zijn, maar ook alle periodieke natuurprocessen moeten het een of ander begin gehad hebben, en alle verschilvorming, alle menigvuldigheden van de natuur die elkaar opvolgen, moeten in een aan zichzelf gelijke toestand wortelen.

Deze werkelijke vulling van de tijd met feiten van onderscheidbare soort naast de bestaansvormen op dit gebied behoren, juist wegens hun onderscheidbaarheid, tot het telbare. Denken wij ons een toestand die zonder veranderingen is en zijn zichzelf gelijkblijven in het geheel geen verschillen in opeenvolging biedt, dan verandert zich ook het meer bijzondere tijdsbegrip in de meer algemene idee van het Zijn. Wat de opeenhoping van een lege tijdsduur zou moeten betekenen, is in het geheel niet te begrijpen.

Aan de huidige verdieping en verscherping! Wie verdiept en verscherpt? Maar de oneindigheid van een reeks bestaat juist daarin, dat zij door opeenvolgende samenvoeging nooit voltooid kan zijn.

Dus is een oneindig verlopen wereldreeks onmogelijk en derhalve is een begin der wereld een noodzakelijke voorwaarde voor haar bestaan, wat als eerste te bewijzen was. Neemt men ten aanzien van het tweede weer het tegendeel aan, dan zal de wereld een oneindig gegeven geheel van tegelijk bestaande dingen zijn. Nu kunnen wij de grootte van een hoeveelheid die niet binnen zekere grenzen van iedere beschouwing gegeven wordt op geen andere wijze denken dan alleen door de samenvoeging der delen, en het totaal van zulk een hoeveelheid alleen door de voltooide samenvoeging of door herhaalde toevoeging van de eenheid aan zichzelf.

Bijgevolg, om zich de wereld die heel de ruimte vult als een geheel te denken, zou de opeenvolgende samenvoeging der delen van een oneindige wereld als voltooid beschouwd moeten worden, d. Bij gevolg kan een oneindige opeenhoping van werkelijke dingen niet als een gegeven geheel, dus ook niet als tegelijk gegeven worden beschouwd. Een wereld is derhalve ten opzichte van de uitbreiding in de ruimte niet oneindig, maar binnen haar grenzen besloten, wat als tweede bewezen moest worden.

Wat al het overige betreft, d. Nu beschouwt Kant echter de boven aangehaalde stellingen geenszins als door zijn bewijs afgedaan. Integendeel, op de bladzijde ernaast verzekert en bewijst hij het tegenovergestelde.

Dat de wereld, wat de tijd betreft, geen begin en wat de ruimte betreft geen einde heeft. De zaak zelf laat zich zeer eenvoudig oplossen. Eeuwigheid in de tijd, oneindigheid in de ruimte, bestaan reeds van het begin af en volgens de eenvoudige zin van het woord daarin, dat tijd en ruimte naar geen enkele zijde een einde hebben, naar voren noch naar achteren, naar boven noch naar onder, naar rechts noch naar links. Het ontoepasbare van deze reeksvoorstelling op ons onderwerp blijkt terstond, wanneer wij haar op de ruimte toepassen.

De oneindige reeks, in het ruimtelijke overgebracht, is de vanuit een bepaald punt in bepaalde richting oneindig doorgetrokken lijn. Is daarmee de oneindigheid van de ruimte ook maar enigermate uitgedrukt? Integendeel, er zijn niet minder dan zes vanuit dit ene punt in drievoudig tegenovergestelde richtingen getrokken lijnen nodig om de afmetingen van de ruimte te begrijpen en van die afmetingen zouden wij er dus zes hebben.

Kant zag dat zo goed in, dat hij zijn getallenreeks ook slechts indirect, langs een omweg, op de ruimtelijkheid van de wereld overbracht.

Het is immers duidelijk dat waar hij ook begint te tellen, hij een oneindige reeks achter zich laat en daarmee het vraagstuk dat hij moest oplossen. Het is kennelijk de poging van iemand die helemaal niet ziet waar het om gaat. Meer dan dat. Hij onderschuift dus datgene weer als vooronderstelling, wat hij bewijzen moet. Het is duidelijk: de oneindigheid, die een einde heeft maar geen begin, is niet meer en niet minder oneindig dan die, die een begin maar geen einde heeft. De hele dwaling zou onmogelijk zijn zonder de wiskundige gewoonte met oneindige reeksen te werken.

Dat de wiskundige voor zijn geestelijke arbeid dit nodig heeft, betekent volstrekt niet dat het een dwingende wet voor de werkelijke wereld zou moeten zijn. De oneindigheid is een tegenstrijdigheid en vol van tegenstrijdigheden. Het is reeds een tegenstrijdigheid dat een oneindigheid uit louter eindigheden zou zijn samengesteld en toch is dat het geval. De begrensdheid van de stoffelijke wereld leidt niet minder tot tegenstrijdigheden dan haar onbegrensdheid, en iedere poging deze tegenstrijdigheden uit de weg te ruimen, leidt, zoals wij gezien hebben, tot nieuwe en ergere tegenstrijdigheden.

Juist omdat de oneindigheid een tegenstrijdigheid is, is zij een eindeloos, zich zonder einde in tijd en ruimte afwikkelend proces. De opheffing van de tegenstrijdigheid zou het einde van de oneindigheid zijn. Dat had Hegel reeds volkomen juist ingezien en hij behandelt dan ook de over die tegenstrijdigheid piekerende heren met de verachting die hun toekomt.

Gaan wij verder. Dus de tijd heeft een begin gehad. De wereld die zich in een aan zichzelf gelijke, onveranderlijke toestand bevindt. En daar in deze toestand geen veranderingen op elkaar volgen, daarom verandert zich ook het meer specifieke tijdsbegrip in de meer algemene idee van het Zijn. Ten tweede kan het tijdsbegrip zich nog zozeer in de algemenere idee van het Zijn veranderen, toch komen wij daarmee geen stap verder.

Want de grondvormen van al het Zijn zijn ruimte en tijd, en een Zijn buiten de tijd is even grote onzin als een Zijn buiten de ruimte. Wat deze opeenvolging zou betekenen doet hier volstrekt niet terzake, de vraag is of de wereld in de hier veronderstelde toestand duurzaam is, een tijdsduur doormaakt. Dat het tot niets leidt zulk een inhoudsloze duur te meten, zomin het zin heeft er in de lege ruimte doelloos op los te meten, dat weten wij al lang en Hegel noemt deze oneindigheid immers ook juist wegens het vervelende van die bezigheid, — de slechte.

Juist omdat de tijd van de verandering verschilt, onafhankelijk is, kan men hem door de verandering meten, want voor het meten is altijd iets nodig dat verschilt van wat gemeten moet worden. En die tijd waarin geen waarneembare veranderingen plaatsvinden, is er ver vanaf: geen tijd te zijn.

Inderdaad, wanneer wij het tijdsbegrip in heel zijn zuiverheid, afgezonderd van alle vreemde en daartoe niet behorende bijmengsels begrijpen willen, dan zien wij ons gedwongen al deze verschillende gebeurtenissen die naast en na elkaar in de tijd plaatsvinden, als niet hiertoe behorend, opzij te zetten en ons bijgevolg een tijd voor te stellen waarin niets gebeurt.

Daarmee hebben wij dus niet het tijdsbegrip in de algemene idee van het Zijn laten ondergaan, maar wij zijn daarmee pas bij het zuivere tijdsbegrip aangeland. Wanneer de wereld eenmaal in een toestand heeft verkeerd waarin absoluut geen enkele verandering plaatshad, hoe kon zij dan uit deze toestand tot verandering overgaan? Het volstrekt veranderingsloze, wanneer het bovendien nog van eeuwigheid af in die toestand was, kan uit zichzelf onmogelijk uit deze toestand komen en in die van beweging en verandering overgaan.

Er moet dus van buitenaf, van buiten de wereld, een eerste stoot gekomen zijn die haar in beweging zette. Dit geldt Waar de grootte geen verandering ondergaat, daar blijft zij dezelfde.

De voorraad mechanische kracht dus, die eenmaal in de wereld is, blijft eeuwig dezelfde. Waar echter was de mechanische kracht ten tijde van de veranderingsloze toestand? Dat kan stellig velen afschrikken. Bedenken wij echter, dat het met iedere, ook de kleinste nieuwe schakel in de ons welbekende bestaansketen in de grond genomen precies zo staat.

Wie dus in het onderhavige voornaamste geval moeilijkheden wil opwerpen, die ziet toe dat hij zich daarvan niet onthoudt bij minder sterk in het oog lopende gevallen. Bovendien staat de mogelijkheid tot het invoegen van geleidelijke, trapsgewijze tussentoestanden en derhalve de brug der bestendigheid open om de weg terug, tot daar waar het spel der wisselingen ten einde gaat, te vinden. Zuiver als begrip genomen helpt ons weliswaar deze bestendigheid niet over de grondgedachte heen, maar zij is voor ons de grondvorm van alle wetmatigheid en van iedere verdere bekende overgang, zodat wij het recht hebben haar ook als tussenschakel te gebruiken tussen dat eerste evenwicht en zijn verstoring.

Zouden wij ons echter het om zo te zeggen! En inderdaad, wij zouden niet alleen in de zelfverminking van de voortbrengingskracht, maar ook in het stekenblinde geloof het toppunt van wijsheid moeten zien om ons met deze waarlijk jammerlijk voze uitvluchten en frases te laten afschepen.

Uit zichzelf bestaat er geen middel waardoor het volstrekte evenwicht tot beweging kan overgaan. Wat bestaat er dan wel? Er bestaan drie, foutieve, voze zinswendingen: Ten eerste: Het zou even moeilijk zijn bij iedere, ook de kleinste schakel van de ons welbekende bestaansketen de overgang tot de daaropvolgende schakel aan te tonen.

Hier echter gaat het er, zoals wordt toegegeven, om de beweging uit het bewegingloze, dus uit niets te laten ontstaan. Daarmee komen wij zuiver begripsmatig weliswaar met de moeilijkheid niet klaar, maar wij hebben toch het recht haar als verbindingsstuk tussen het bewegingloze en de beweging te gebruiken.

Jammer genoeg bestaat de bestendigheid van het bewegingloze daarin, dat het zich niet beweegt. Hoe daar dus beweging uit ontstaan kan blijft geheimzinniger dan ooit. Van Niets kunnen wij zonder scheppingsdaad nu eenmaal niet tot Iets komen, ook al zou dat Iets zo klein zijn als een wiskundige differentiaal. Ten derde. Kant, Kritik der reinen Vernunft, Riga , blz. Gauss aangaande de bouw van de niet-euclidische geometrie, in het bijzonder de bouw van de geometrie in de multidimensionale ruimte. Hij schreef hierover ook in een brief aan F.

Die stelling ontwikkelde R.

DEUX INTERLUDES JACQUES IBERT PDF

Anti-Dühring

.

JACQUES RAVATIN PDF

.

LALLEMANTIA IBERICA PDF

.

KATHY SIERRA SCJP FREE PDF

.

Related Articles